Filmproducent

In de praktijk beschikt de filmproducent vrijwel altijd over het (nagenoeg) volledige auteursrecht op de gemaakte film. Dit wordt in de meeste gevallen geregeld aan de hand van filmcontracten. Maar zelfs zonder zulke filmcontracten kent de wet een vermoeden van auteursrechtoverdracht aan de filmproducent van de personen die aan de film hebben meegewerkt (artikel 45d Auteurswet).

De filmproducent heeft ook een naburig recht ten aanzien van de eerste vastlegging van een film. Dit recht is in de praktijk van secundair belang. Ook het naburig recht regelt dat de filmproducent geld kan (terug)verdienen met zijn werk. De filmproducent zal op grond van het auteursrecht en naburige recht zeggenschap uitoefenen over de film. Zijn toestemming is nodig als anderen zijn werk willen gebruiken zodat hij enige zeggenschap houdt over wat hij gemaakt heeft. Zo mag de filmproducent optreden tegen het zonder toestemming reproduceren, verkopen, verhuren of uitzenden van de door hem vervaardigde filmwerken.

Op grond van het auteursrecht heeft de filmproducent het exclusieve recht om:
- het werk of een verveelvoudiging daarvan beschikbaar te stellen;
- de film te kopiëren.

Op grond van het naburige recht heeft de filmproducent het exclusieve recht om:
- de eerste vastlegging van de film of een reproductie daarvan te reproduceren;
- de film of kopieën daarvan op de markt te brengen;
- de eerste vastlegging van de film aan het publiek beschikbaar te stellen.

De rechten die voortvloeien uit het naburige recht gelden ook voor films die niet voldoende origineel zijn om voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking te komen.

De naburige rechten op films vervallen na 50 jaar, gerekend vanaf de eerste januari van het jaar volgend op het jaar waarin de film voor het eerst is vastgelegd. Deze termijn kan ook worden berekend vanaf het moment waarop de film voor het eerst rechtmatig openbaar is gemaakt.

Vermoeden van overdracht
Aan het maken van een film of video werken vaak zeer veel mensen mee, die allemaal vanuit hun eigen vakgebied een eigen creatieve bijdrage leveren: acteurs, regisseurs, scenarioschrijvers, decorontwerpers, enzovoort. De producent is echter verantwoordelijk voor de exploitatie van de film. Om te voorkomen dat de exploitatie van een film in gevaar zou kunnen komen doordat een van deze rechthebbenden zijn toestemming intrekt, is in de Auteurswet een apart artikel opgenomen voor filmwerken. Volgens artikel 45d wordt van alle mede-makers van een film 'vermoed' dat zij hun rechten hebben overgedragen aan de filmproducent. Dit wordt aangeduid als een wettelijk vermoeden. Het is mogelijk hiervan af te wijken, maar dat moet dan wel schriftelijk worden vastgelegd. In de praktijk is dit wetsartikel echter van gering belang. In de meeste gevallen is er een contract tussen de filmproducent en de personen die aan de film meewerken waarin staat dat de rechten aan de filmproducent worden overgedragen.
In artikel 45d is een uitzondering gemaakt voor de makers van de filmmuziek. Voor hen geldt dit vermoeden van rechtsoverdracht niet.

Per 1 juli 2015 is een nieuwe regeling voor het filmauteurscontractenrecht ingegaan. Alle makers krijgen een billijke vergoeding van de producent. Scenarioschrijvers, regisseurs en de hoofdrolacteurs hebben via hun collectieve beheersorganisatie ook nog recht op een extra proportionele vergoeding van de exploitant waarmee de producent contracteert.